Ton

God spreekt niet rechtstreeks tot de horigen. Hij spreekt tot de engelen, de engelen tot de profeten, de profeten tot de schriftgeleerden en de schriftgeleerden tot de kerk. Die beklimt een gestoelte en preekt tot het geknielde oor.
En dan nog. Er zijn demonen die zich voordoen als engelen, er zijn valse profeten, creatieve theologen, ijdele vertalers en ijdele predikers en in de galm van het gewelf wegvallende letters.
De horigen smeken om het scheppen van orde in de werkelijkheid, om het spellen van de wereld, een voorspelling van de toekomst in hun voordeel, veiligheid. Geduldig wachten zij op het verlossende woord. Op de onthulling van het geheim. Het geheim van God. Zijn wil. Hun lot.

Ton is doof. Ook een dove schreeuwt bij zijn geboorte. Wanhopiger zelfs want eenzamer. Zo groeit hij op. Geen herinnering heeft de dove aan de zoete stem van de moeder, de strenge en rechtvaardige van een vader, de gezellige van het gezin.
Ton staat voor een icoon in de kerk van zijn jeugd. Zijn vingertoppen rusten op het geschilderde goud. Achter hem oefenen orkest en koor dé dissonant in de laatste maten van de Matteüs Passion van J.S. Bach. De clash tussen lijden en hoop.

Ton doet aan automutilatie. Met een stukje glas kerft hij letters in zijn huid. 's Nachts legt hij zijn vingers op lidtekens, herinneringen aan zijn warme bloed. Wat is het woord zonder klank? Vraag het Tom. Kan het woord stom blijven en toch waarheid worden?
Want het woord wil waarheid worden. Een waarachtig woord fonkelt als glas-in-lood in de muur rond de gemeenschap. Waarheid is liefde tussen het woord en de wereld. Een onwaar woord is grijs en onzichtbaar; een leugen straalt niet, maar zuigt het licht op.

Waarom doe je dat Ton? Waarom maak je openingen in je huid? Eerst gevoelig, intens, verbonden met andere wonden, wonden van heiligen, pratend met bloed. Later genezen, hard en koud, zoals van een haastig dicht geschept graf alleen een richel zand overblijft, de daad verhuld.
En het woord werd vlees. Lidtekenweefsel. En Ton likte eraan. En zijn vriendin Louise likte eraan. En 's zomers hingen de ogen van de badgasten eraan en wilde Ton van het strand af.

Als kind had Ton voor dezelfde icoon in dezelfde kerk gestaan. Het gouden gelaat van de heilige gezien, de donkere plekjes bloed, zwarte tekens op de borst rond diens hals. Thuis bewaarde hij een portretfoto van zichzelf waarop zijn moeder met stift dezelfde soort tekens had aangebracht. T-O-N. Later, toen hij de scherpte van een scherf glas had ontdekt, pakte hij een spiegeltje en begon. Toen hij bijkwam stond de eerste letter in zijn borst.

Hoort een dove de woorden Gods? Nee. Ja. Nee. Toch. Als deze mens gedoopt is, een naam gekregen heeft van de Heere, hij deze naam groot en herkenbaar in zijn borst draagt en daar rechtop mee ter kerke gaat, dan moeten we een andere vraag stellen. Is de dove in staat tot het verstaan van de heilsboodschap? Welke? Die van de verlossing van onze zonde. Welke zonde? Die van Adam en Eva. 1

HEIL! Het woord is gevallen. Laten we voor een moment het oor en het oog voor wat ze zijn en ons richten op de mond . Het gat aan de voorkant van ons lijf, onze keel, oorspronkelijk bedoeld als ingang voor voedsel, nu tevens uitgang voor geluid, trillingen in de lucht, het woord.
Er zit weinig ruimte tussen de monden van horigen. Vlees wil trillen. Eén mond wil duizend monden zijn. Het woord wil zich verspreiden zoals een darmbacterie via het badwater waar het kind in gepoept heeft of via de vingers van de groenteman.
Sommige woorden doen het goed. Zijn duizenden jaren oud, zijn van mond tot mond gegaan. Want of hij nou schreeuwt of fluistert, het napraten gaat hem goed af, de mens. Neem dat woord 'heil'. De 'h' een zucht lucht met enige diepte; 'eil' een sliert, transparant, zonder duidelijk begin en eind. Meer adem dan klank. Het kan dus waar zijn; dit geluid, op een etherische dag gehoord door een profeet, een voor-speller, een goed begin.
Dit woord kwam in een tekst terecht. Over de verlossing van alle kwaad. En de klank van het woord, hoe vluchtig ook - je kunt er nog geen meter op zeilen - gaf het bange hart hoop. Uiteindelijk zal het Goede zegevieren, vertelt het verhaal. Slaapt de Wolf naast het Lam. Een epische belofte, krachtig als een atoombom, de explosie achterwaarts afgespeeld, scheppend het Koninkrijk Gods.

Ton was teleurgesteld. Voor het eerst van zijn leven was hij naar een uitvoering van de Matteüs geweest. Hij had de gezichten van muzikanten en zangers gezien en die van het publiek. Had het gevoeld, hun verzakkend gemoed, hun licht vooroverbuigen om ruimte te maken voor de traan. Had het vocht op de grijze vloer gezien en het vreemde geluk in het gelaat van de weer opgericht gezichten, nat en stil. Maar in zijn eigen ogen, neus en keel was geen vocht opgeweld.
Ton had slotakkoorden vol stralend goud verwacht. De ontlading van een eeuwenoud geschil tussen Mens en God. Vreugde over de nieuwe kans op geluk. Niets daarvan. Louise en hij stonden alweer op straat.

In zijn jeugd had hij zijn gelaat eens goud geschminkt, was voor de icoon gaan staan, had een kaars aangestoken, was door zijn knieën gegaan en in meditatieve stiltes terechtgekomen. En hoe bijzonder deze ervaring ook, dat was alles geweest. Hij had zich vervolgens op andere parochieleden gericht in de veronderstelling en de hoop dat zij verder waren gekomen dan hij. Dichter bij God. Degenen die nu om hem heen stonden op straat.

Thuis ging hij in z'n woonkamer voor de spiegel staan en doorliep in gedachten nog eens het oude verhaal.
Was het bij de apostel Matteüs begonnen? Had Bach het opgepikt en als componist uitgewerkt? En hadden Tons kerkgenoten de toon voor lief genomen: die van twijfel aangaande de heilsboodschap?
In plaats van een hemels begin had apostel Matteüs in de gekruisigde vooral het eind van een leven vol onrecht en verraad gezien. Een dood zonder paradijslijk vervolg, zonder hoop. Waarna alleen het lijden restte. Bach had de pijn van de desillusie alle ruimte gegeven, overweldigd door het vrijkomende aardse sentiment.
Wie moet er nu getroost worden? Degene die nergens in geloofde, die z'n lot met een scheve glimlach droeg alvorens bij zijn overlijden als een dood dier ergens geruisloos in de grond te verdwijnen? Of die ander, die zichzelf en ons in spontane vreugde samendacht in een toekomstig paradijs, een oneindige zaligheid?
Ton keek in de spiegel naar de reproductie van de Pièta aan de muur achter hem. Een moeder met haar dode zoon op schoot. Een zoon met een droom. Wist zij beter?
  1. Wat hebben wij met Adam en Eva te maken? Door hun ongehoorzaamheid kwam het kwaad in de wereld. “Blijf van die appel af,” had de Vader gezegd, maar zij namen een hap en God gooide hen uit het paradijs. Al hun nakomelingen kregen dezelfde straf. Nog maar net op aarde, werd de mens tot in de eeuwigheid verdoemd. Hier komt Jezus in beeld. Hij wilde ons verlossen van de erfschuld. Vroeg zijn Vader om een herkansing voor de mensheid, een teken van hoop op terugkeer naar het paradijs. Van wie is deze uitleg? Augustinus, invloedrijk kerkvader, 4e/5e eeuw na Christus, paus, theoloog, filosoof, schrijver en redenaar. Aan hem heeft de westerse christelijke cultuur haar nadruk op schuld en onvrijheid te danken. ↩︎