Overal vandaan een kerktoren te zien en altijd een christelijke feestdag in het vooruitzicht - geen atheïst in Nederland die zich er druk over maakt. Integendeel, het zijn cultuurchristenen, gehecht aan de wereld van hun jeugd. Haal de torens weg en ze verdwalen op het plein. Schrap de kerstdagen en ze raken de tel van de maanden kwijt. Christelijke markeringen helpen ongelovigen zich te oriënteren in plaats en tijd. Verder zijn ze betekenisloos.
EE IE UI!, riep Lars en wees naar een vliegtuig van de kustwacht boven zee. Had hij geen spraakgebrek gehad, dan had niemand aandacht aan hem besteed. Maar er waren weinig mensen op het strand en die er liepen, waren met hun hond bezig. Lars zwaaide naar de piloot.
Jaren later zou hij op een zondagochtend gevonden worden in een steeg in het uitgaanscentrum van Katwijk. Doodgeschopt.
Voor het schrijven en handhaven van de Wet is de mens vanaf dag één zelf verantwoordelijk geweest. In den beginne at hij van de boom van kennis van goed en kwaad, zo lezen we in het bijbelboek Genesis. Het bleek een vruchtbaar dieet. Het schepsel kwam tot ethisch besef, kreeg een voorstelling van recht, schuld, straf en vergiffenis. Vanaf nu zou boven elke deur een set huisregels hangen. Het grote binnen- en buitensluiten kon beginnen. Alleen de goeden zouden overblijven.
Lars sprak zonder medeklinkers. Of dat kwam door een afwijking van zijn mond, zijn oren of zijn hersens, of het iets te maken had met zijn wil, dat hij er geen zin in had, dat het een verwijt was, aan zijn ouders, aan de wereld, 'Ik doe hier niet aan mee', we weten het niet. Het kind deed gewoon niet z'n best de klanken van zijn moeder, broertjes en zusjes na te doen. Ook later niet. Toen de hele klas voor zijn schoolbank stond en het liefdevol voordeed. Ze waren er zeker van, het zat in hem, het meeklinken, maar ook toen vertikte hij het. Het is een syndroom. Er is een naam voor.
Genesis presenteert Adam en Eva als eerste bewoners in een paradijselijke setting, beschermd door de wet. Het verhaal gaat over de kwetsbaarheid van dit geluk. Een enkel wissewasje - het eten van een appeltje - blijkt genoeg om de droom uiteen te doen spatten. Zo werkt de wet: in een handomdraai weet ze van elk willekeurig lid van de gemeenschap een crimineel te maken. En omdat het beschuldigen ons licht valt en het vergeven zwaar, staat de hemelse tuin sinds het fruit-arrest leeg.
De schrijver van het bijbelboek heeft ons willen waarschuwen. God of Vrouwe Justitia, het maakt niet zoveel uit, er zit een element van bedrog in hun belofte van veiligheid.
Lars' eerste weigeringen. Onnozel begonnen, als spel, om het effect, volgens een psycholoog van de gemeente ook niet meer dan dat, een kind zit vol probeersels, het is pas de reactie van de gemeenschap die er gedrag van maakt. Het is de gezichtsuitdrukking van zijn soortgenoten die selecteert, uitvergroot en om herhaling vraagt, hun goedkeurende glimlach óf hun afkeurende verontwaardiging, alles beter dan onverschilligheid, een volkomen genegeerd worden door de anderen. In het begin de groef in de nog soepele hersenen niet meer dan een kras, maar na verloop van tijd het pad zo vaak gegaan, ingesleten, tot loopgraaf geworden, gemaakt tot wie hij was, geworden, oppervlakkig gezien eenzaam, maar gedurende al die tijd ook een middelpunt van verbazing, onbegrip en spot. Soms kregen de afwijzingen demonische dimensies, maar hij had geleerd: als je maar lachte, terug lachte, om jezelf lachte, dan kwam het goed, werd jouw halsstarrigheid geen obstakel, hoorde je er alsnog een beetje bij, en daarnaast: er waren genoeg dingen die je met anderen kon doen zonder dat er gepraat hoefde te worden. Sporten, dansen, in bed liggen.
Gij zult niet doden. Gij zult niet doden uw vader, noch omdat hij u de wet stelt, noch omdat hij uw moeder bezoekt. Gij zult niet doden uw buurman, noch omdat hij meer bezit dan u, noch omdat u meer bezit dan hij. Gij zult niet doden de vreemdeling, noch om hem te beroven, noch uit angst door hem beroofd te worden.
De gemeenschap stelt de wet. De wet stelt de grens. Degenen braaf blijven, definiëren de binnenzijde, de misdadigers de buitenzijde. Daarvoor verdienen moordenaars een zeker respect van de gemeenschap.
Om kleine kinderen aan het huilen te maken en respect bij te brengen voor de wet, is het voldoende om een moordenaar naakt, in zijn eigen vuil, in een kooi op een centraal plein van stad of dorp tentoon te stellen. Maar het liefst gooit men een moordenaar over het hek, de grens over. Een grens die hij alleen op een vaste dag in het jaar ritueel mag overtreden. Om een jonge vrouw te roven. Eén keer, maar soms ook vaker, soms in de winter, soms twee keer midden op de dag in de zomer en dat is nog overzichtelijk; het verloop kan chaotischer en frequenter, in die mate zelfs dat onduidelijk wordt of er nog sprake is van een grens, een wet, een gemeenschap, een deze of gene kant van het hek.
Dat zich onder barbaren moordenaars bevinden is niet meer dan logisch. Vreemde volkeren kennen onze wetten immers niet. Vandaar de gewoonte om hen een kans te geven. Dat heet gastvrijheid; we kunnen ze er altijd nog uitgooien. Maar een moordenaar in eigen kring is een ander verhaal. Waar die uit den vreemde door zijn vreemd-zijn nog bijdraagt aan onze eigenheid, breekt de misdadiger die we als de onze beschouwden ons eigen-zijn juist af. Deze verrader verdient dan ook de gruwelijkste straf. Verbanning is niet genoeg. Vanuit een diepte klinkt de roep om vernietiging.
Niemand had het gedaan. Het was diep in de nacht geweest, iedereen was een beetje dronken en verhit. Ze waren om Lars heen gaan staan, hadden wat geduwd en getrokken, een enkele vuist, een schoen, niets fataals.
Bekijk het eens van onze kant. Die gast hoorde er niet bij. Hij stootte dierlijke klanken uit naar de meisjes. Die lachten erom. We moesten wat doen. Vechten is fijn en een gevecht winnen is diep bevredigend, daar zijn die extra trappen voor als de tegenstander al op de grond ligt, maar dit hebben wij nooit gewild. Wij worden niet geloofd!
Lars had niet direct het bewustzijn verloren.
Is het waar dat elke ziel soeverein is? Onafhankelijk van gevoelens van geluk en ongeluk. Immuun voor welk oordeel van wie dan ook. In wezen asociaal. Of er dan nog iets overblijft voor deze ziel is een andere vraag. Maar wat daar op de grond lag in een plas bloed - een plas, stil en zwart in de schaars verlichte steeg, het gelaat spiegelend van degene in wie het vocht net nog, ritmisch pulserend en warm, besloten zat - was ook niet veel. Het leefde nog, maar dat was dan ook alles.
Je wordt er misselijk van. Het idee dat het zelfs fijn kan zijn een ander te vermoorden. Maar waarom eigenlijk? Waarom níet een ander mens vermoorden als je daar een sterke behoefte toe voelt? Een vreemde zit met z'n hand in het broekje van jou kind. Hoe erg is het om deze persoon met de scherpe kant van een bijl op zijn achterhoofd te willen raken? De daad zal je goed doen. De orde is hersteld, door jouw hand, je bent een held.
Maar het doden van iemand als Lars, hoe kun je daar zin in hebben, hoe krijg je de gemeenschap daar enthousiast voor? De kans is groot dat je medeburgers het walgelijk vinden, een laffe daad, laffer bestaat bijna niet. Laten we ze eruit trappen, zij hebben het recht op onze medemenselijkheid verspeeld, waren zij dan mens toen zij de jongen op de grond tegen z’n hoofd bleven schoppen?
De kans is groot dat de jongens door de gemeenschap uitgekotst worden of het slachtoffer worden van wraak en dat weten zij; er is geen straf groot genoeg om dit kwaad te vergelden en daarom is het beter als ze afscheid nemen van familie en vrienden om als outlaws verder te gaan, weg te trekken om ergens aan de andere kant van het hek een leefgemeenschap te beginnen met eigen codes.
Maar niet iedereen is daar moedig genoeg voor. Voor hen die blijven dreigt levenslang verschuilen achter woorden en wegkwijnen in schuld met af en toe de gedachte aan zelfdoding. Voor hen blijkt er nog een moordenaar te bestaan, de zelfmoordenaar. Zullen dezen zich ooit nog veilig voelen?
Elke eerste maandag van de maand als de sirenes gaan: nieuw proza erbij op www.alberthijn.be
