Elfje

Ze stonden er. Drie volle kelken in een nis achter het altaar. Elfje zette het dunne metaal aan haar lippen, schrokte de hosties één voor één naar binnen, liet het zilverwerk vallen en vloog de kerk uit, haar keel wijd open, als een jong vogeltje, nee, als op weg naar je hongerige jonkies, maar die had je niet, alle vogels dan, meeuwen genoeg buiten boven het plein, wat deed het ertoe, het papierdunne deeg was niet priesterlijk gewijd, spijtig voor jou maar gelukkig voor de barmhartige voorbijganger met het flesje water en een tissue onderaan de trap, want nu is het heilige niet geschonden, het is slechts een handje tarwemeel met een druppel olie. Wat had je anders uitgekotst? Het lichaam van Christus?
Binnen rolde een knoop van haar blouse over de vloer, wiebelde en viel, roze en glimmend het kleine ding, genoeg om een snipper licht te weerkaatsen van een kaars, die ochtend aangestoken door een koster, de vlam sterk genoeg om alles bij elkaar te houden, voor een moment althans, alles, kosmisch heldendom en het totaal zinloze bestaan van de mens, naast elkaar in één ruimte, speciaal voor dat doel gebouwd. Zelden gingen vorm en functie zo in elkaar op.

En misschien krabde ergens in een werkkast een koster aan zijn been - was dat vóór of na het aansteken geweest van de kaars in het tabernakel? - toen Elfje die ochtend, terwijl haar geest zich opende als een bloem in de berm bij de komst van het licht - ja, zei de bloem, ik wil - begon aan het opsommen van de onderdelen van de wereld.
Een blik Atrix; de zandkorreltjes in de crème; het strand waar ik gisteren zat; de berg waar de korreltjes vanaf geschuurd zijn door een schuivende ijsmassa; alle sneeuwvlokjes, gevallen en samengeperst tot die ijsmassa.
De verf op de vloer in het jongerencentrum; de geluidsbrij van gitaargeluid met veel reverb en distortion vorig weekend; de glimmende schoeneneuzen van de gitaristen.
Het nylon koordje van de lamp in de douche; het deel dat in de loop van de tijd vies was geworden; het vuil zelf.
Bewegingsarmoede bij huisdieren als symptoom van depressie. De formulering van die aandoening in het handboek voor dierenartsen. Alle losse letters op de kaft van dat boek.
Koning Willem-Alexander in tranen op een podium; de kroon in zijn hand; de stoel waar hij op is gaan zitten; de leegte om de koning heen; de dagelijkse geluiden om die leegte heen, die van buiten het theater; het ijzererts waaruit het staal voor Haagse tramwielen was gemaakt.
De maan; het schaduwdeel ervan.
De poten onder het bed van Johnny Depp; de viltjes onder die poten; het diertje dat zich voedde met de lijm tussen viltje en poot; de uitwerpselen van dat diertje; de jeuk die de uitwerpseltjes bij Johnny teweeg brachten; de kruimels toast tussen de lakens van mijn bed; de abrikozenjam op een van die korreltjes.
De gloednieuwe graafmachine die gisteravond hier bij station Rosmalen geparkeerd stond; de folder van Volvo op het bureau van de aannemer die de machine had gekocht; alle kaas bij de aannemer thuis in z'n voorraadkast.
Mijn verkleedkist; het pak die niemand ooit heeft gezien.
De rol Mentos in de tas van Darlin vorige week op het strand; het snippertje zilverpapier van de wikkel dat wegwoei toen Darlin de rol open peuterde; het pigment in de nagellak op Darlins hand toen zij mij een Mentos aanreikte; al het speeksel in mijn mond rond het snoepje op mijn tong; mijn tong: de aanslag erop.
Het druppelende vocht uit de snavel van een eend die na de jacht ondersteboven aan een haak aan de muur is gehangen. Het gruis dat ergens gebleven moet zijn toen ze het gat boorden voor de haak in de stenen muur.
Het algoritme dat gezichtsuitdrukkingen van paarden vertaalt in voor mensen begrijpelijke emoties zoals frustratie, angst en blijdschap.
De bruine grond van landsgrenzen in sprookjes; het ijzer uit het bloed van de grenswachten die daar in de loop van de verhalen gesneuveld zijn; de jurken van moeders uit dezelfde sprookjes die hun kinderen verboden daar te gaan spelen; de modebladen waar de moeders die jurken voor het eerst hadden gezien; de camera van de fotograaf die de shoot voor het magazine had gedaan; zijn hondje; de riem van dat hondje; de verf waarmee het leer van de riem rood was gemaakt.
Het stukje zeep in de douche.
Mijn huid; het deel ervan dat water afstoot in plaats van opneemt; de overdreven armbewegingen van iemand die niet kan zwemmen en verdrinkt.
Het boek over meteorieten, gekregen van mama; de afdruk van mama's lippen op een glas op het aanrecht; het wit in de lak van de vaatwasmachine bij haar thuis.
Een opgeprikte vlinder; alle opgeprikte vlinders bij de Verbeke Foundation; de glim van de knop van een speld.
Het vlammetje in een kaars vlak voordat die uitgaat; alle weggegooide aanstekers.
Dode bergbeklimmers die op de weg naar de top niet gezien worden maar op de terugweg wel.
De perfecte lijn van een wapperende Nederlandse vlag; de wind die daarvoor nodig is; het blauw en de kou in de lucht in de achtergrond van die perfect wapperende vlag.
Het getal dat de kans aangeeft dat de mensheid binnen 300 jaar uitsterft; de locatie waarvan verwacht wordt dat daar de laatste mens overlijdt; een artist’s impression van dat lijk; de gezichtsuitdrukking van dat lijk.
Een reep chocola met krenten; de Turkse druiven voordat ze gedroogd waren; de handen van de pluksters; het pitje waar de rank uit gegroeid is.
Het tonnetje walvisolie, vorige maand aan het oppervlak gekomen door smeltend ijs op Spitsbergen.
Een industrieel vat met 200 liter sneldrogend oplosmiddel; het adres van een fabrikant van cartridges op het verzendetiket; elke pixel op het in lage resolutie geprinte etiket.

Elfje legde de pen neer. Aanvankelijk had ze iets van euforie gevoeld, was zij, Elfriede, aanvang geweest van alles. Nu had ze buikpijn. De wereld vloeide als droog zand tussen haar vingers en het opsommen voelde als een weigering om te leven.
Ze sloot het schriftje, pakte het op, streek met haar duim langs de zijkant en luisterde naar het geritsel van het papier. Ze had spijt van haar onbezonnen plan. Aan de rest van de dag zou een gevoel van mislukking kleven en ze was nog niet eens aangekleed.

Mijn lichaam. Compleet. Bijeen binnen mijn huid. Als eenheid, als één zijn. Eenzaamheid lijkt logisch en tegelijkertijd belachelijk. Niemand heeft zichzelf gemaakt, toch zit je er levenslang in opgesloten. Er is niet eens een naam voor die claustrofobische notie. Er moet een verband zijn, misschien zelfs een verbond maar in ieder geval een verbinding.
Mijn kledingkast. Alles schoon, gevouwen en geordend op kleur en seizoen.
Mijn keuze. Wijde zwarte broek, All Stars, roze blouse.
Mijn gevoel. De stof op mijn huid, de temperatuur ervan, het gewicht, zijn daar die haartjes op mijn armen en benen voor?

Elfje borstelde haar haar en belde Darlin.
Elfje!
Darlin..
En…, hoe was jouw nacht met Jean-Paul?
Lang geleden…
Eergisteren toch?
Ik zat op slot.
En je was het sleuteltje kwijt!
Er is geen sleuteltje.
Wel een slot?
Je kunt er niet uit, Dar, uit jezelf.
Goedemorgen.
Liefde is een illusie. Jij zal de ander nooit bereiken en de ander jou nooit.
Elfje?
Je sterft alleen, je leeft alleen.
El! Waar spreken we af voor de koffie?
We bellen nog. Elfje legde haar mobieltje neer, klemde broek en blouse tegen zich aan en beoordeelde de combinatie in de spiegel aan de binnenzijde van de kast.

Wat ging er in Jean-Paul om als z'n opgezwollen lid bij haar binnendrong, hij ermee in dat andere lichaam bleef stoten en buiten zichzelf raakte. Als het zaad uit hem losschoot en diep in haar doordrong, haar cellen, de kern ervan. Zaad heeft geen bewustzijn. De man stoot het uit op goed geluk, het bewustzijn blijft onbeholpen achter, moet je zijn gezicht eens zien vlak erna.
En bij haar, als ze bevrucht zou raken? Zou. Als zij op zou zwellen tot het eruit moest? Zou haar bewustzijn dan meereizen in dat nieuwe leven? Of zou ook zij bij het verlaten van haar lichaam afscheid moeten nemen, hoe pijnlijk ook, van het in en uit haar vlees en bloed gegroeide schepseltje, het van haar afgescheiden leven.

Elfje liet haar kin op haar borst zakken, liet haar schouders hangen, staarde naar de sneakers op de vloer, dacht het rubber te ruiken.
1,3 Miljard paar All Stars waren er tot nu toe gemaakt; 1 miljard daarvan lagen bij het afval; 250 miljoen stonden in kledingkasten; 2,3 miljoen werden er op dít moment gedragen. En, net zo belangrijk: er circuleerden permanent 25 miljard afbeeldingen op de socials waarop een All Star te zien was. Create yourself. Eenzame sterren. We zijn met velen.

Darlin?
Elfje?
Wist je dat de binnenkant van je mond en van je anus van huidcellen is gemaakt én het hele kanaal ertussenin?
Elfje liet haar mond wijd open hangen. Haar lijf voelde als een huls, een onpersoonlijk peristaltisch wezen, klaar om zich over organisch materiaal heen te schokken, in permanente levensnood en met geen andere keus dan moord en stofwisseling of de eigen dood.
Darlin?
Huhh..
Bestaan er wezens die je mond in kunnen kruipen om er even later bij je kont levend en wel uit te komen glibberen, bij wijze van grap van de natuur, zelfspot? Of lacht alleen de mens om zichzelf?
Gatverdamme! Een garnaal of zo?
Darlin?
Ja!
Luister. Je geest is vrij, vluchtiger dan materie in ieder geval. Wat bepaalt de grens? Het Ik? Het Ik is de huid van de geest? Een wand met gaatjes, meer niet. Sommige geestelijke substantie druppelt naar binnen, andere niet.
Elfje, waar zit je?
En als het Ik een soort geperforeerde huid is, wat is dan dat jezelf zijn…
Zo te horen sta je al ergens op straat.
… waar jij het altijd over hebt?
Elfje?
Ik sta voor de Onze Lieve Vrouw van Altijddurende Bijstand.
Ga naar binnen, ik ben onderweg.

Darlin kende de kerk. Alleen de voorgevel stond nog overeind, als monument. De trap op, naar de zware deuren, er zat beweging in, je kon ze openduwen en over de afgesleten drempel stappen en dan stond je in het niets.
Ze haastte zich. Ruimte maken in mijn hoofd. Wat ga ik zeggen? Ja, Elfje, je bent tot jezelf veroordeeld. Aan de andere kant, als je die eenzaamheid accepteert, wordt het ontdekken van de wereld een afdaling in jezelf en wat is daar erg aan? Er is daar zoveel te ontdekken. Boeddhisten lossen er hun lijden op.
Even overwoog ze om niet te gaan. Om te zien wat dat met haar zou doen, de ontwrichting te voelen als alledaagse verwachtingen oplossen in het niets. Elfje gaat het wel overleven, gaat me tig keer bellen en aan het eind van de middag zitten we op een terras met een glas komkommersap. Kom op, Elfje! Ook ik besta niet, buiten jouw gewaarwording.

EVEN LATER OP EEN TERRAS
Darlin, weet je wat jij zegt? Dat de bokser die mij slaat, helemaal niet bestaat. Dat alleen de pijn bestaat. En dat ik het zelf ben die me de klappen aantrek, ze toe-eigen, alsof ik mezelf aan het meppen ben.
Je klinkt teleurgesteld, Elf.
Darlin, ik geloof dat ik dan nog liever in elkaar geslagen word.
Als bewijs dat er andere mensen bestaan!?
Darlin, ik heb niet meer genoeg aan vermoedens. Er móet een verband zijn, misschien zelfs een verbond, maar in ieder geval een verbinding.
Wij zijn verbonden …
Darlin, ik heb soms de indruk dat jij helemaal niet bestaat. Dat jij niet meer bent dan een indruk. Mijn indruk. Zelfs als je op me zou gaan liggen, veert m’n lijf na afloop gewoon weer terug. Ik twijfel of er echt andere mensen bestaan dan ik. Ik krijg het bewijs niet rond.
Wat zei de ggz-psycholoog?
Niets. Ik begon over het Ik als huid, met openingen voor geestelijke substantie. En toen over het Ik, niet als de huid maar als die openingen, het Ik als gat, als zintuig, zoals je oog. Het gat is van jou, maar niet alles wat je waarneemt. Dat het dus niet klopt als je spreekt van ‘mijn’ geest. Geest is overal, net als materie.
En?
Hij vroeg of die openingen in het Ik alleen geestelijke substantie ópnamen of dat ze ook iets van die aard áfgaven?
Doelde hij ergens op?
Ik weet het niet.
Elfje dacht aan haar slaapkamer, aan de verkleedkist, haar morphsuit. Een tijd geleden was ze ermee begonnen stukjes nylonkous op de vleeskleurige stof te naaien en die op te vullen met plukjes wol. Het leken bulten en gezwellen. In de loop van de jaren waren die in aantal en omvang gegroeid. Als ze het pak aantrok, eindigde het er vaak mee dat ze op haar rug op bed ging liggen en daar lang en stil bleef liggen. Misschien moet ik een paar doorligwonden op de rug van het pak borduren.
Waarom lach je, Elf?
Ik dacht aan een kleurpalet: donkerblauw, paars, grijs, en hoe borduurwerk aanvoelt op je huid als je merinowol gebruikt in plaats van goedkope synthetische draad.
Ben je aan het borduren?