De verdeling van water

In een straat is dagelijks 40 liter water te verdelen. Er wonen 20 mannen en 20 vrouwen. De mannen gaan met 25 liter naar huis, de vrouwen met 15. Kom op jongens, wees eerlijk en geef ons die 5! Zoomen we in op de mannen dan zien we dat er enkele met 5 liter naar huis gaan, de meeste met een halfje en een paar met niets. Er zijn winnaars en verliezers. Ook bij de vrouwen.

Is er iemand die het water in de straat verdeelt? Een gekozene, een belangeloze, een rechter, een die zelf geen water gebruikt? Nee. Ieder zorgt voor zichzelf. In plaats van de wet heerst een balans tussen hebzucht en de voordelen van vrede. Een balans die aanpassingen en gewoonten heeft doen ontstaan.

Midden in de straat woont een 5-literman. Hij komt thuis, smijt z’n jas op de grond en ploft op de bank. Onder het blad van de keukentafel heeft zijn vrouw een Mariaplaatje geplakt.
In het huis ernaast komt een vrouw thuis met 1 liter, haar man met een halfje. Zegt de vrouw: dit is niet eerlijk! Jullie hebben 10 liter meer dan wij. Tot al het water eerlijk verdeeld wordt, slaap jij op de bank.
Verderop in de straat komt een man thuis met een halfje, zijn vrouw met niets. Zij beheert en verdeelt thuis de voorraden, ook die van het water. Iedereen schikt, niemand komt tekort.
Van weer een ander stel, zij wonen er net, komt de vrouw thuis met een halfje en haar vrouwelijke partner met een halfje. Zij krijgen ruzie over de plaats van een Boeddhabeeld in de betegelde voortuin. Eén fles valt om. Bevrijd stroomt het water over het laminaat.
Aan het eind van de straat woont een verliefd stel. Zij komt met een halfje thuis, haar partner met niets. Verlangend zetten ze om beurten de fles aan elkaars lippen. Er wordt gesmakt, geslikt en gemorst dat het een lieve lust is.
’s Avonds is met koken, wassen, slurpen en ijsklontjes maken veel van de 40 liter op. Alleen de 5-litermannen hebben wat bewaard, voor de handel. De dag erop begint het verhaal opnieuw.

De 5-literman, Frits, uit het midden van de straat, heeft 10 liter water bijgekocht. Zijn auto moet glimmen. Een halfje is voor Lilianne, z’n vrouw, Haar lingerie moet gewassen.
Nora, de 1-litervrouw is boos. ‘Stop met stofzuigen! Slappeling!’ Zij wil geen echtgenoot die zich wentelt in schuldbewuste zelfreflectie. Wat dan wel? Een groter offer? De gedachte aan zijn dood zorgt voor ontspanning en een glimlach.
De voorraadbeherende vrouw, Korien, heeft een moestuin. Zij komt uit een geslacht van landbouwers. Vijf kinderen hebben ze nu. Het is een droge zomer maar als ze zuinig doen komt het goed.
De Happinez-vrouw heeft iets gelezen over een waterkuur. Maar hoe moet het dan met de waterbedelaars die elke dinsdag langskomen? vraagt haar halveliterpartner. Ik wil me niet afsluiten voor de rest van de wereld.
Het verliefde stel is een paar dagen weg.

Is de situatie in de straat stabiel? Zijn er ontwikkelingen waar we ons zorgen om moeten maken? Dorst is de ergste van alle menselijke kwellingen, op ademnood na.

Suzanne, de Happinez-vrouw, scharrelt rond voor het huis van Frits. Lilianne zit onder de keukentafel.
Nora, gekweld door onrecht, droomt van het laten uitdrogen van haar man, Stephan. Het lichaam bestaat voor meer dan 90% uit vocht – één week is genoeg om met de mens ook de man in hem te vernietigen. Zou zij het idee voorleggen aan haar vriendinnen?
Korien is druk met experimenten met glaswol als bodemstructuur, het gaf de wortels houvast maar nam zelf geen water op.
Het liefdesstel is geïnspireerd. Als we nou eens een paar druivenranken op het plein planten om wijn van te maken voor een jaarlijks feest. Dat we dan met z’n allen voor één dag de boel op z’n kop zetten, op handen en voeten door de straat, ook goed.

Er is een lijk gevonden. Door kinderen. Kinderen groeien. Hun lijf, hun begrip, hun actieradius. Zonder dat ze er veel voor hoeven te doen groeien ze gemeenschappen in. Die van familie, buurt en school. Zo waren een paar kleine kinderen uit de straat de tuin van een buurman in gegroeid. Daar zien zij onder een boom iets vreemds liggen en beoordelen de langgerekte verhoging waar het gras doorheen is gegroeid – behalve door de schoenen -, als iets dat een mens geweest moet zijn. Ouderen krimpen. Hun fysiek, hun beleving van ruimte en tijd. Zij verdwijnen als vanzelf uit gemeenschappen. De dode, een gepensioneerd gymleraar, was een teruggetrokken buurtbewoner die er op een avond de zin niet meer van had ingezien om van onder de boom in zijn tuin op te staan en datgene in te lopen wat hij die ochtend nog als zijn huis had beschouwd.
Hoewel het een natuurlijke dood betrof, was de buurt ontzet. Hoe eenzaam was dit overlijden geweest! De dreiging van sociale ontluistering hing als vieze slierten tussen de huizen, iedereen wilde dat de lucht snel weer zou opklaren. Laten we na afloop van de teraardebestelling met de hele straat aan lange tafels samen gaan eten!
Er duiken geen nabestaanden op. Lilianne, Stephan en Korien regelen de uitvaart. Of de gemeente het graf kan betalen? Of Frits wat wil bijdragen? Hoezo niet? Of we de botten dan maar ergens in de bosjes zullen smijten? Ze beter gewoon laten liggen zoals ze daar al de hele winter hebben gelegen. Dat de honden ermee vandoor gaan. Ze doormidden knagen om aan het hartige kraakbeen te likken. Hé, kan het niet wat stiller, dat regelen van die uitvaart! Ja, al goed, we leggen ons er wel bij neer, slechts in aanvaarding dobbert onze geest richting vrede. Amen.

De begrafenis is al lang en breed achter de rug als Frits tijdens een barbecue twee andere 5-litermannen hoort praten over het aanschaffen van vuurwapens. Er gaan geruchten over onrust in andere buurten. We zien hier vaker vreemden op straat. Als iedereen maar wéét dat wij halfautomatische wapens in huis hebben, dat is genoeg. Een paar weken later ontvangen ze de toezegging van een gemeentelijke subsidie voor het oprichten van een schietclub. Waar schieten jullie op? Op tekeningen. Van mensen, dieren of bloemen?
Lilianne blijft bidden, haar harde, dikke, rode knieën maken plekken op de vloer. Waar ze om smeekt? Krachtig is ons voorstellingsvermogen, soms is het alles wat we hebben en soms is het genoeg.
Stephan was niet gelukkig thuis. Het seksistische geweld van Nora begon z’n tol te eisen. Huilbuien, apathie. Terwijl Nora zich in het winkelcentrum laat blonderen, pakt hij wat spullen en gaat er op de fiets vandoor. Een doel heeft hij niet. Nora vond het best. Klusjesmannen en huishoudelijke hulpen waren ook te huur.
Henk, de man van Korien heeft kanker. Ook die dingen gebeuren. Niemand verzint het. De buurt komt water brengen. Om het gezin te ondersteunen, om de zieke te laven, bewaar maar wat om het lijk te wassen, voor als het zover is.
Suzanne en haar partner Josje zijn in therapie. Zij geloofden in aandoeningen van de geest als te ontwijken ondieptes op hun koers door de stroom van de tijd. De laatste tijd werden ze gehinderd door hun verleden, overdadige hoeveelheden waterplanten die hun tentakels bleven uitstrekken naar de oppervlakte. Het woord was hun redding. Het woord dreef daar als een helder gekleurde boei tussen Suzanne, Josje en de therapeute. En het woord was Liefde. Seks dacht de een, trouw de ander. Wie van hen zou als eerste verdrinken?
Eva is in verwachting. Dat kon ook niet anders. Wat kon dat stel tekeergaan! De hele straat had maanden mee kunnen genieten van hun geile capriolen en slaakte een zucht van verlichting. Nu was het mooi geweest en wat was zij mooi met haar vette haar, glanzende decolleté en glanzende buik in de strakke stilte die het dragen van de vrucht van haar vroeg. En Maarten, zijn scrotum afgevuld met zaad, Maarten timmerde een bedje in elkaar, knoopte een groot wollen tapijt, lakte de vloer, schilderde het plafond in vijftien tinten blauw en was op tijd klaar om achter extra water en wijn aan te gaan voor de grote dag.

Er wordt gedroomd en gebeden in de straat. Verwachtingen en angsten verdeeld zijn niet gelijk verdeeld. Is geluk afhankelijk van hoeveel de ene mens heeft ten opzichte van de ander, of van die ene mens vergeleken met wat hij of zij gisteren had, of vergelijkt hij of zij zichzelf het beste met het spirituele Al of het Niets? Als een nieuw mens geboren wordt, wat wenst men deze dan toe?

Frits voelde zich onzeker. Het ging niet over. Hij verving de poster van het standbeeld van koningin Wilhelmina te Paard boven zijn bank door een groot zwaar aangezet romantisch schilderij van een jonge Vlaming.
Een deur verder zat Nora in een geborduurd transparant plastic jack achterstevoren op een groot notenhouten paradepaard, de staart van het dier tussen haar benen, de vloer kraakte huiselijk, maar het hielp niet.
En terwijl haar vijf kinderen naar school waren, stond Korien verzonken in rouw op haar landje tussen twintig kroppen jonge sla.
Suzanne en Josje hingen met een zak chips voor de tv. Ze hadden de kleurrijke boei meegenomen naar huis maar er nog geen plekje voor gevonden. Hij lag in de gang voor de deur van het toilet.
Eva was misselijk. Haar buik werd te klein, alles werd te klein, het paste niet meer, het moest eruit.

Er hangen een paar mannen op straat. Ze verkopen cocaïne. Cocaïne is goed voor het ego. De vreemdelingen worden rijk. Degenen die niet gebruiken worden bang. De burgemeester is met ducttape vastgebonden op een ezel in de kinderboerderij. De vrouw van de burgemeester weet niet wat ze moet doen. Omstanders filmen het. Wat wens je een pasgeboren kind anders toe dan ontplooiing en voorspoed en liefdevol gezelschap?

Frits heeft iets nieuws ontdekt: paniek. Als je de afgrond eenmaal gezien hebt. Hij appt Nora. Ik heb advies nodig. Zij komt, trekt de Vlaming van de muur en gaat weer weg.
Korien hoort even niets, niets anders dan haar eigen adem, haar bloed, het zucht, het klopt. Haar buitenwereld is nog nooit zo klein geweest, haar innerlijke nog nooit zo groot.
Josje zit op het toilet, voor het eerst met de deur op slot.
Eva, vandaag ben jij onze hoop. Niet jij – hoe mooi je ook bent met het nog verpakte leventje in jouw schoot – maar het kind, de toekomst in jouw schoot. Echt? Zal er iets door veranderen? Is er ooit iets veranderd door de komst van een kind?