De Remake

Het juk
Rechtop lopen had geen zin. Diep voorovergebogen hingen ze in het juk, een om hun schouder geslagen juten band die met een jaaglijn verbonden was met de trekschuit. Om vooruit te komen moest de boeg van de boot het water wegduwen, daarom vielen ze niet, hangend tussen het weerstand biedende water en hun eigen zwaartekracht, stap voor stap het jaagpad af, de rivier langs, stroomafwaarts weliswaar, maar toch, een paard heeft vier benen, die hoeft niet voorover te hangen, een mens wel. De jagers sloffen, stampen, verstappen zich. Stenen, struiken en brandnetels, is dit een pad? Ja, het voert ergens heen. Waar is ergens? Een stortplaats voor stront uit de stad. En de wind? Die interesseert het niet. De vliegen wel. En de jagers en hun knechten? Die roken een sigaret.
Als ze omkijken zien ze wat er over is van de stad. Een rafelig plukje op de horizon. Alleen van dichtbij neemt het oog contrasten waar, details en de volheid van kleur, een paar meter misschien, daarna verliest het z'n interesse, bij een roofvogel is dat anders. Vier van hen hangen in het tuig en zien de natte rug van de ander. Degene die vooroploopt ziet wat er door moet gaan voor het pad. Ziet hij verder nog iets? Naast het pad ziet hij Kuifje en Bobbie staan. Kuifje glimlacht, de voorloper ook. Eens zal ik het juk voorgoed van me afgooien, maar ik kan de anderen nu niet in de steek laten, een ander moment misschien. De anderen zien niet wat de voorloper ziet, het is alweer voorbij, ze horen alleen de vrouw aan het roer op de schuit die ze voorttrekken. Zij zingt een lied.
De ploeg kwam in de buurt. Ze konden het horen. Stront trekt insecten, insecten kippen en vogels, vogels trekken slangen. Kraaien hadden de komst van de nieuwe lading opgemerkt, honderden hingen er in de lucht boven de stort. Met scheppen, kruiwagens en loopplanken is de ploeg een paar volle uren bezig het ruim van z'n last te ontdoen. Hoe houdt een mens dat vol? Misschien omdat ze wisten, na de klus gaan we zwemmen, op de terugweg hijsen we een zeil, wind mee, de stroom is zwak, het water kabbelt tegen de romp, er is bier, misschien gepofte aardappelen, we schelden, lachen en slapen, tien kippen hebben we gevangen, gekeeld en geplukt, de stad dobbert alweer naar ons toe.

We leven op de kade naast de schuit. We gooien nat gras op het vuur om de vliegen te verdrijven.
Eén heeft een zwarte splinter in z'n voet. Eromheen is het dik, geel en rood. Hij voelt het tot in z'n hart, het maakt hem prikkelbaar, agressief. Sodemieter op, ik sla je dood. Drup, drup, drup, het kippenvet lekt uit het karkas in het vuur, tsjhiiiii.... tsjhhiiiii...., zou het naar stront ruiken, zij roken het niet, je eigen stront stink ook niet, die van een ander wel, zij ruiken gegrilde kip, het water loopt hen uit de mond.
Eén heeft een huid die kleurt niet in de zon. In de hut geeft hij licht, lijkt het, geschilderd door Rembrandt, lijkt het, hij is hemels, de anderen aards, is hij een boodschapper? Ja, als ik loop kijk ik omhoog in plaats van naar de grond, ik sta open voor God. Was hij het die Kuifje zag? Nee, dat was een ander. In de hut verliezen ze hun geduld, vergeet goddomme die engel, er komt geen redding, laat die holistische gek, de kip is gaar, wie heeft het zout en de citroen?
Eén is roze, niet rood van de zon maar roze, heeft een buidel met een boek. De kaft is zwart, de inhoud grijsgelezen, is hij gelovig? ik ben niet vrij, ik ben gehoorzaam, onderworpen, mijn ene been is korter dan de ander, iedereen ziet het, mijn ogen zijn goed, mijn benen maar half, ik ga, ik bonk, ik dans. Wat is lezen? Waarom bewaar ik het boek? Wie leest, luistert. Elk woord is van God. Dat is de bult, het boek op mijn rug. Het is een extra oor.
Degene aan het roer is eigenares van de schuit. Zij kwam uit het klei. Vroeger baggerde ze de bodem van uiterwaarden af en voer het slib naar steenbakkerijen. Pas toen alle bakstenen kloosters en kazernes waren gebouwd - alle loodsen, ateliers en herenhuizen gelegen aan bakstenen pleinen met bakstenen fonteinen - pas toen vonden de handen de rust voor het zuiveren, kneden, rollen, draaien, plakken en bakken van het dunste wat ze ooit gezien hadden bij anderen, van buiten de stad: het porselein. Het hanteren van dit flinterdunne materiaal vroeg om een fijnheid van geest die, zich eenmaal ontwikkeld, vatbaar was voor de idee dat de stront uit de stad, vrijelijk geloosd in de rivier voor de deur, de klei zou verpesten, en tot een verbod opriep, en waar moet die schijt dán heen? met een schuit van een werkloze kleivoerder een flink stuk stroomafwaarts. En hoeveel betaalt het? Beter dan slibvaren.
Een van de gezellen heeft de langste benen van het stel. Aan hem gingen de woorden voorbij. Hij was niet doof en niet zonder geheugen maar veel klanken bleven hangen in het voorportaal van zijn hoofd. 'Koningsvaren', 'Opinie', ‘Grauwe staar', 'Venetië'. Ben ik te lui om na te gaan waar die woorden op duiden? Hoeveel woorden heeft een mens nodig om tot begrip te komen? Is dat begrip niet veeleer afhankelijk van ideeën dan van woorden? Ideeën over het bestaan, de materie en de geest. Ideeën die komen en gaan, variëren, muteren, evolueren, domineren, de menselijke geest een onrustige verkenner, zijn hoofd een broeierige kweekvijver. En zo kon het gebeuren dat in een stadje langs de Wolga, begin 19e eeuw, bij zomaar iemand, een slepersgezel, het idee opkwam dat God Adam gemodelleerd had, niet uit een stuk klei maar uit een stuk stront. Dit idee had de kweekvijver kunnen overleven, argumenten en voorbeelden aan zich kunnen binden, kunnen groeien, wereldkundig worden, zich vermenigvuldigen en verspreiden. Maar het heeft het niet gered.
Op weg naar waarachtigheid
Joop staarde naar het lege doek aan de muur van z'n atelier. Hij zou een remake maken van 'De Wolgaslepers', een schilderij van de Russische kunstenaar Ilja Repin. Als hij z'n ogen sloot, zag hij de groep slepersgezellen op de voorgrond in donkere tinten met rijke details en eromheen, waterig als een toneeldecor, de rivier, haar zanderige oevers, een paar flarden wolken in een windstille lucht.  
Het doek was in 2016 door het Russisch Staatsmuseum in St. Petersburg uitgeleend aan het Drents Museum als onderdeel van een tentoonstelling over de 'Peredvizhniki', Russische realistische schilders die eind 19e eeuw door het land trokken om de gewone man te portretteren in zijn erbarmelijke leefomstandigheden. Joop had de tentoonstelling bezocht, was voor het enorme ‘De Wolgaslepers’ blijven staan en had zich afgevraagd hoe hij dit kunstwerk moest begrijpen.
Op zijn werktafel lag een printje van het schilderij op A2-formaat. Hierop kon hij een paar ideeën uitproberen.

Hij had naar de slepers gekeken als naar personages uit een verhaal, zich een voorstelling gemaakt van hun leven. Maar wat deed dat leven ertoe in de moderne kunst?
Eind 19e eeuw was de gewone man op het toneel verschenen. Als opstandige massa op stadspleinen. In asgrauwe fotoreportages van kinderarbeid in geïllustreerde bladen. Als hoofdpersoon in literatuur en schilderkunst. Hij bladerde door een catalogus van Van Gogh en bleef hangen bij ‘De Aardappeleters’ uit 1885. Ook hier: de gewone man. Met als bijschrift een tekst over de schilder op zoek naar authenticiteit. Armoede en lijden zijn diep en echt, zo was de suggestie. Al het andere leidt tot verveeld geluk, onthechting en decadentie.
Joop klapte de publicatie dicht. Hij had een spoor. Vanaf eind 19e eeuw ging schilderkunst over het waarachtige. Naast schilder zou de kunstenaar voortaan ook filosoof zijn, iemand die zich bezighield met het verschil tussen echt en gekunsteld, tussen waarheid en illusie. Zó zou hij De Wolgaslepers begrijpen. Niet naar de voorstelling maar naar de intentie. En zo zou hij zijn remake aanpakken, het spoor van de avant-gardisten volgend.
Van Gogh had 'de gewone man' vrij snel achter zich gelaten, zichzelf als lijdend voorwerp gekozen en aan die persoonlijke diepte zijn revolutionaire ontdekkingen verbonden. Die van kleur, vorm en materiaal als belangrijkste elementen van het schilderij. Andere schilders-filosofen waren vrolijker van aard geweest. René Magritte bijvoorbeeld, een paar decennia later: 'Ceci n'est pas un homme ordinaire.'
Op zich hadden zij een eenvoudige ontdekking gedaan. De gewone man bestond misschien echt, maar de geschilderde versie was sowieso nep. Alle figuratie is illusie, illustratie, verhaal. Alleen de verf, het doek en het licht waren echt. Degene die 'de gewone man' geschilderd had, voelde zich als een goochelaar voor de rechtbank. 'Dus u stelt: dat konijn kwam uit uw hoed?'

Joop wist genoeg. Met een paar verfstreken retoucheerde hij de boot weg. Met een kleiner penseel werkte hij vervolgens de rivier en de wolkenlucht bij. De mannen hingen nog in hun juk, maar er zat niets meer aan de jaaglijn. Joop maakte z’n kwasten schoon, legde ze op tafel naast de print en wachtte af.
Zouden de gasten zich zonder vracht voort blijven slepen, ze zouden volslagen belachelijk lijken, onnozelaars, vergeefs en armzalig hun moeite. Zelfs een groep Aziatische monniken zou niet overtuigen als ze beweerden bij wijze van ritueel een noodzakelijk idee voort te trekken terwijl er Niets aan de jaaglijn zat.
Hij herinnerde zich een obees echtpaar met een volle boodschappenkar op de parking van een Franse XXL Super. Van hun auto waren twee wielen gejat. Het ontbrak hen aan elke prikkel om tot actie over te gaan. Inmiddels was het na sluitingstijd en stonden ze er nog. Er was onrust ontstaan onder het personeel. Zou het niet beter zijn als beveiligers het stel zouden verjagen? Ook zo’n auto zonder wielen is een schande, iets dat graag in de fik wordt gezet. Dat we die gauw uit beeld laten slepen!
Joop ging op z'n rug op de vloer van het atelier liggen. Hij moest zijn verbeelding laten kalmeren.
Wat was er met het verwijderen van de boot gebeurd? De tijd was tot stilstand gekomen, althans, de suggestie van tijd in het schilderij. De tijd waar het schilderij over vertelde. Het verhaal.
Hij stond op, retoucheerde de mannen weg en prikte de schets aan de muur. Van de geschilderde mens was hij af. Hij hing de schets ondersteboven. Van de landschapssuggestie was hij nu ook af. Vlekken oker, grijs en lichtblauw, meer was er van De Wolgaslepers niet over.
Hij was Repin gevolgd, had hem achter zich gelaten, was hem kwijt, in gedachten al op weg naar de volgende pionier, iemand die elke kunstenaar kende en waar geen schilder omheen kon: Kazimir Malevitsj. Diens ‘Zwarte Vierkant’. De icoon uit 1915. Het eind van de rit richting absoluut materialisme. Het eind van elke illusie van een andere tijd dan die van dit zwart, op dit doek, in dit hier en dit nu. Joop knipoogde naar het lege doek. ‘Wie is er bang voor oker, grijs en lichtblauw?’
In een kleine dag tijd had hij veertig jaar geschiedenis afgelegd. Een stormachtige periode in de beeldende kunst als een kalme rechte lijn samengevat. De logica had z'n werk gedaan. Was het ontwerp voor de remake nu af? Fraai oogde het niet.
Joop nam een slok van z'n koffie. Zijn atelier stond in de buurt van een ziekenhuis. Niet alleen elke eerste maandag van de maand om 12:00 uur werd hij opgehouden door sirenes. Dag en nacht rijden zelfs in een middelgrote stad hulptroepen uit in nood. Ritmisch geloei omgeeft de redders als een aura van goedheid. ‘Aandachttrekkerij.’ Hij wachtte tot het geluid was weggestorven.
Dit getoeter bijvoorbeeld, ben ik in staat ernaar te luisteren als puur geluid zonder bedoeling of betekenis? Zou het dan niet anders klinken? Als muziek. En zou dat niet alleen alle tweetonige hoorns voor een moment bevrijden, maar ook mij, van mijn vooringenomenheid tijdens het luisteren?
Misschien moest hij even overal van afblijven. Om alle risico’s op het opnieuw vervallen in het verhalende te vermijden, kon hij z’n kwasten beter helemaal laten liggen. Want ook het ‘Zwarte Vierkant’ was een verhaal geworden, een herinnering aan, een kunsthistorisch stuk van grote waarde, etc.
Het doek hing in de Tretjakovgalerij in Moskou, was na honderd jaar beginnen te craqueleren, dat had een onderschildering zichtbaar gemaakt, iets met een paard. Daarnaast was een zwart vierkant in de schilderkunst gewoon een ‘constructivistische vorm in bepaalde kleur’ geworden, een herkenbaar ding, figuratie.
Dus wie van plan was met spirituele passie in een vierkant zwart op te gaan, kon beter zelf een verfroller ter hand nemen; in Moskou kwam je niet om de verhalen heen: het suprematistisch manifest van Malevich zelf, het manifest van de gewone man van Karl Marx, de huidige waarde van het kunstwerk in dollars, etc.

Was elk schilderij veroordeeld tot verhaal? Creëerde de tijd als vanzelf illusies rond elk ding? In dat geval moest hij op zoek naar een schilderij dat geen schilderij was, geen ding.
Het was alsof hij ergens doorheen brak: was het wóórd het ware kunstwerk, het woord SCHILDERIJ? Niet het als conceptuele kunst óp of als bijschrift onder een schildersdoek uitgeschreven woord, maar het begrip schilderij, de abstractie, losgemaakt van elke tastbare werkelijkheid, de Idee waar alle schilderijen uit voortkwamen, onzichtbaar maar waarachtig als Ideeën uit Plato’s Grot.

‘Wat betekent dat voor mijn project?’
Zijn hoop was gericht geweest op het tonen van de waarheid. Hij was een stuk opgelopen met een aantal kunstenaar-strijders. Hoop is een geweldig motief, om niet te zeggen gewelddadig. De figuratie was bestormd, het verhaal verguisd, de sluiers van illusie weggerukt en verscheurd. En, had de waarheid zich getoond?
Zijn onzekerheid nam toe. Wat voor de Idee ‘schilderij’ gold, gold dat ook niet voor de Idee ‘waarheid’? Dat, zodra het van idee tot tastbaar ding werd, dat ding direct een bron van illusies werd? Was hij als maker van dingen dan niet volkomen kansloos?

Hij haalde het lege doek van de muur en zette het op de vloer van z’n atelier. Om het de volgende dag terug te brengen naar de winkel voor kunstenaarsbenodigdheden. Dichter dan dat zou hij niet bij de waarheid kunnen komen.