Cowbóymi


Hij had het ding zien hangen. Houtsnedes hebben iets naargeestigs. Als je ergens een tegel van de grond optilt, heb je ook niet altijd zin om het patroon van weggetjes te bekijken dat ongedierte er vlak onder in het zand heeft gemaakt. Cowbóymi liep de trap op. Boven lag Julia. Eerst zouden zijn handen hun weg vinden, dan zijn geslacht en ten slotte het licht.

Ooit had iemand een plankje bewerkt, er met een guts geultjes uit gewurmd en er inkt over uitgerold. Er was een boom aan de oever van een watertje verschenen met erboven een lucht. Iemand een afdruk in de hal van Julia's huis opgehangen. Cowbóymi was er langs gelopen.

Boven gooide hij de deur open. ‘Juul!’ Hij liep naar het bed en sloeg de dekens weg. De zolderkamer had geen raam. Cowbóymi ging op de rand van het bed zitten en streelde de geborduurde bloemen op de sprei, het knapperige kant van het kussen. Julia was weg.
En terwijl hij daar zat, nestelde het tafereel - onderaan de trap via een ooghoek bij hem naar binnengeglipt - zich midden in zijn focus. ‘Houtsnedes van bomen gespiegeld in een waterkant, prima, maar van luchten moeten ze afblijven met hun gutsen.’

Cowbóymi nam een slok water uit een glas op de grond. ‘Is het dezelfde lucht, die hier in de kamer, die rond dit huis en die in mijn hoofd? Is dit alle ruimte om te ademen en op zoek te gaan naar Julia?’ Hij liep naar een wand, sloeg een gat in de gipsplaat, wurmde een vouwzaag tussen twee planken en maakte een opening in de gevel naar buiten. En zoog de schemer in zich op. ‘JULIA!’ Even was zij overal. Cowbóymi liep de kamer uit, de trap af en verliet het huis.
In de wachtruimte van het busstation verdampte z'n vertrouwen. Hij had een foto bij zich. ‘Heeft u deze vrouw gezien?’ Ze zouden ernaar kijken en het niet weten, hem aankijken en z'n verloren blik zien. ‘Nee.’ Hij hield de foto in de hand van z’n zak. Aan deze mensen heb ik niks. Zij wachten op hun bus. Die komt vanzelf naar hen toe. 
Hoe dom kun je zijn? Was het bijna gebeurd. Was je in de verkeerde rol terechtgekomen, het verkeerde verhaal. Bent u politie? Werkt u voor een krant? Gaat het om geld, drugs, moord of seks? Nee, zouden jouw ogen antwoorden, maar ze hadden je lange krullen al gezien, je baard, de blauwe plekken in je gezicht. Heeft u gevochten? Bent u gevallen?
‘Dit wil ik niet,' en zijn borst verkrampte, waar z’n longen op en neer gingen, z’n adem in en uit. ‘Dit wil ik niet,’ de atmosfeer om hem heen totaal verhard.

Cowbóymi besloot naar het huis terug te rijden en opnieuw te beginnen.
De trap oplopen, de deur opengooien, het lege bed zien, de teleurstelling ervaren en naar het gat in de buitenmuur getrokken worden.
Een flard behang ritselde in de wind. ‘Dit is een begin.’ De opening was snel groter gemaakt. Groot genoeg om zichzelf doorheen te wurmen. Hij hing al aan de buitengevel. Liet zich vallen, maar kwam niet goed terecht. Eén voet op een aarden ondergrond, gras en mos, dat veerde mee, de andere op het stapeltje planken die hij uit de wand had gezaagd.

Heb ik geschreeuwd? Komt er iemand aan? Kan ik nog staan? Hij had geen zin in hulp, keek omhoog, naar het gat, door dat gat de kamer in, kroop weg, het donker in van de tuin en wachtte af. Wreef met een hand over z'n gezicht, z'n been, z'n enkel. Pijn is gemeen, het is van jou en het is tegen jou.
Cowbóymi probeerde te kalmeren en dat lukte enigszins want Julia verscheen in de tuin, in een zomerse jurk en ze lachte hem toe.
Verder verscheen er niemand. Hij besloot zich naar de voorkant van het huis te slepen. Halverwege het natte pad liep hij vast. De franjes van zijn suède jas vermodderden. Zijn broek bleef plakken op het pad. Hij verstelde zijn riem en kwam weer vooruit. Eenmaal binnen zou hij wel zien waar hij bij kon met z’n handen. Iets tegen de pijn, iets tegen de kou, tegen de vraag wat hij moest doen.
Toen hij z'n ogen opende, zag hij vlak voor zich een paar bloemen op de vloer. ‘Lagen die er gisteravond al?’ Of zijn ze van tafel gerold terwijl ik er tegenaan stootte? De tafel waaraan Julia haar rozen maakte. Van krantenpapier, gekleurd in kool-, citroen- of bietensap, gedroogd, gestreken, geknipt, in elkaar gevouwen, omgeslagen, gekruld, talloze blaadjes, de knop groeide tussen haar kleine zachte vingers, zonder woorden, zonder in zichzelf te mompelen, of te fluisteren of erbij te neuriën.

De bloemen en Julia roken naar elkaar. Van hetzelfde reukwater één druppeltje achter haar oor en één in elke bloem. Het was alsof hij naast haar wakker geworden was en onmiddellijk zag hij haar voor zich, haar armen en benen opgevouwen tegen haar lijf.
‘Hoe kun je nu aan vrijen denken!’ Ze waren terug komen lopen van de dierenarts, hadden Julia's aangereden kat achtergelaten, zij een paar meter voor hem uit, hij bekeek haar en zij keek achterom en bekeek hem en hij zag verdriet maar ook iets van hunkering en zij zag zijn blik. Had zij het toen gezegd of had hij het achteraf bedacht? Is alles wat in het verleden gebeurd is, waar?

‘Julia Komt Hier Terug.’ In gedachten zag Cowbóymi haar silhouet in de deuropening en zocht naar de juiste lichaamshouding voor dat moment. ‘Op m'n rug of op m'n zij?’ Hoeveel dagen lag hij nu in haar keuken, bevuild, met gebarsten lippen, en dan, met de oogopslag en intonatie van een filmster: ‘Hey.’ En zij zou hem zien, de lichtval perfect, Julia, fris, open, zacht en sterk, en hij zou naar haar lachen als teken van alles komt goed ‘Hey Julia.’

Toen hij zijn ogen opnieuw opende, bescheen de zon de tegelvloer, de tafelpoten, de houtkachel, zijn sleepspoor, zijn been en enkel en hij schrok. Dik, rood en lelijk perste het vlees zich boven de sneaker uit. ‘Blijf liggen waar je ligt!’ gilde de pijn als hij het been bewoog. ‘Hoe lang?’ schreeuwde hij terug. ‘Een dag, een week?’ Hij moest z’n best doen om aan iets anders te denken. Misschien stond er ergens een pak flessen in een hoek, iets te drinken, iets om in te pissen. Misschien kon hij bij een jas van Juul aan de deur, want hij had het koud.
Hij ging vooruit. Kroop uit het dal. De wanden al minder stijl en glibberig. Cowbóymi hing met de leuning van een keukenstoel onder z'n oksel geklemd voor het raam. Had z'n handen gewassen, koffie gezet. ‘Als Julia nu binnenkomt, ben ik in staat tot een gewoon, misschien zelfs een goed gesprek.’ Hij zocht een tijdje naar het woord voor het afnemen van de zwelling van z’n enkel maar kon er niet opkomen.

Cowbóymi zat in z'n ondergoed bij de kachel. Hij was gaan hinken, de kleine keuken door, had het vuur aangekregen, de grond gedweild, de modder van z'n jasje en broek afgespoeld en die hingen nu te drogen boven de haard. Hij lachte naar zichzelf, knipoogde in de spiegel bij de deur. Julia zou komen, vanavond, morgen. En hij zou voor het huis zitten, zoals hij daar vaker zat. De kers in bloei zien staan. De vliesdunne bloemblaadjes zien fladderen in een roze windje.
‘Hey Julia!’
‘Bóymi!’
‘Waar wás je?’
‘Een paar dagen met Fransien aan zee. Had ik niet gezegd? Hoe is het met je gezicht, laat eens zien? Beter hè? Kom, we gaan naar binnen, ik heb zin in een glas wijn.’