Urn Urn Urn

Lotte drukte de urn tegen haar oor, boog voorover, achterover, een paar keer op en neer, ze zat op een kruk in huis, de urn was koud, er klonk een tik, eromheen ritselden kleine stukjes bot, ze hoorde het niet alleen, ze kon het ook voelen, mer haar oor, ze had het crematorium gevraagd de resten uit de oven niet zoals gebruikelijk te vermalen, maar in z'n geheel in de urn te doen, het was een grote aluminium bus met de botten en de as van haar moeder en een messing deksel.
Als ze een keer geen zin had in het metaal tegen haar oor en de bus op z'n zij neerlegde en over tafel rolde, hoorde ze in getik, gebonk en geschraap, een ritme van de beenderen tegen de metalen huls, daar gaat mama, nee mama is dood, wat gaat daar dan? de dood, nee de dood gaat niet, de tijd, ik ga, ik leef.
Stond de bus op het schap, dan bleven de beenderresten stil, stiller dan eerst, doodstil en dat is serieus stil, stiller kan niet, de dood bestaat niet, niet in de werkelijkheid, alleen aan de rand, dag mama, hoe lang had het sterven geduurd? een paar tellen en weg was al het geluid.
In de kast stonden nog twee urnen. Een met de as van haar vader, zwaar en vol, waarom alles fijnmalen tot stof? omdat het de bedoeling is geheel en al te verdwijnen, omdat we niets herkenbaars meer tegen willen komen, omdat we de bezwering 'tot stof zult gij wederkeren' bevestigd willen zien, want dat geeft rust.
Als Lotte het ding oppakte en kantelde kwam ook uit deze urn geluid, maar van verder weg, zonder articulatie in toon of volume; massief grijs veegde en viel de inhoud vreugdeloos op z'n nieuwe plek, als ook dit muziek was, dan meer van logge soort, die van de zwaartekracht, pap wat weeg jij nog? nee, ik weet het, ook jij bent dood.
De derde bus had geen deksel en was voor Lotte zelf.
Als ze de buitenkant warm wreef en tegen haar oor hield, hoorde ze een lege ruimte, bij een schelp zeggen ze, hoor je het ruisen van de zee? bij een lege urn het suizen van het al.
Soms, als ze een dansje maakte met de urn van moeder, zeiden Lotte's eigen botten boe noch bah, zo soepel als die bewogen, maar gilden die van moeder als een kind op de kermis, en dat was deels leuk, deels pesterig en deels deprimerend, want eigenlijk te wild, te groot de drang om de bus te openen en de overblijfselen van het skelet de lucht in te slingeren, niet hier in huis, maar buiten op een open plek, en omdat je dit gevoeld had, wist je dat je dit nog eens ging doen, alleen niet nu, je was een beetje dronken en wist niet precies wat je meemaakte en wat niet.
Soms schuifelde je met de urn van vader op je hoofd door de kamer en zolang je je midden bewaarde, ging het goed, je heupen mogen alle kanten op, als je hoofd maar in dezelfde stand blijft, en als de bus toch valt, dan vang je hem op, of klinkt het hard en dof en heeft de bus een deuk en ga je vlug wat anders doen.
Soms was je bang dat het zou gaan vervelen, het geluid van je eigen urn, en dat het weg zou blijven, die lichte paniek, het gekieteld worden door het idee van je onherroepelijke einde, die vonk. Maar misschien was die verveling helemaal niet erg, want wat moest je er eigenlijk mee, dat je het kan, wil niet zeggen dat je het moet: naar jezelf kijken als eindig, als sterfelijk. Maar tegelijkertijd voelde die dreigende verveling ook als een teleurstelling, want had je in die lege urn nou wel of niet iets van betekenis ontdekt?